zondag 29 december 2013

Helga M. Novak (1935-2013)

 

kan niet opstijgen niet vallen

het lijkt wel of ik
het vliegen heb verleerd
kan niet opstijgen niet vallen
vleugellam
zit ik daar en broed
liefdesverklaringen uit

terwijl er toch heel wat vogels bestaan
die nooit van de aarde loskomen
en springen en paraderen
met opgezette veren
door het wuivende gras

ik ben vandaag een meerkoet
en zoek je in het riet
waar je ongetwijfeld
met je vele zwarte haren
verstrikt bent geraakt
denk maar niet dat ik je losmaak

Helga M. Novak, 'kann nicht steigen nicht fallen' in: Liebesgedichte, Schöffling & Co., Frankfurt a.M., 2010 (vertaling Erik de Smedt)

zaterdag 14 december 2013

woensdag 11 december 2013

Animal loquax (Konrad Bayer)






















xanthippe


mijn moeder xanthippe praat in één ogenblik zoveel als ik van het ochtendgloren tot de avondschemering en meer dan alle mensen die ik ken en meer dan onze meid met de donkere huid die de weg naar de waterput met haar gepraat verlengt en duizend keer zoveel als mijn vader. en haar stem klinkt luider dan het gefluit van de muzikanten. met haar krijsende vals klinkende stem praat ze zo snel dat haar slachtoffers roerloos blijven als in eeuwige rust. wanneer ze praat, dooft haar adem de vlam van de pit in de lampen en het meisje dat de tuniek van mijn vader oplapte heeft me verteld dat zelfs de dove pottenbakker polycrates bij de aanblik van haar in opschudding geraakte spreekorganen verlamd op de grond zeeg, tot onze zachtaardige meid, die haar oren met was dicht had gekleefd, met een beweging van haar hand zijn ogen sloot en hij bevend en op de tast het huis uitging. allen mijden ons, zelfs de schuldeisers. wie bij ons binnen en buiten gaat is robuust en dwaas van aard, als de boeren en zonder verstand, of het zijn krankzinnigen, zoals velen in mijn ogen. sinds men mijn vader veroordeelde, zijn het er nog minder geworden en ze is blij dat ze mij, haar zoon, bezit, het enige doelwit van haar gepraat. als het me lukt het huis uit te sluipen, zal ze met zichzelf praten en haar stem zal haar doden.

'xanthippe' komt uit een reeks prozaschetsen die de Weense schrijver Konrad Bayer (1932-1964) bundelde in de cyclus 'sechsundzwanzig namen'. Uit: K.B., Sämtliche Werke. Überarbeitete Neuausgabe, ÖBV–Klett-Cotta, Wenen, 1996, p. 494 (vertaling Erik de Smedt)

donderdag 21 november 2013

vrijdag 1 november 2013

'Zal verwelken als gras' (Friederike Mayröcker)

















Zal verwelken als gras
ook mijn hand en de pupil

zal verwelken als gras
mijn voet en mijn haar mijn stilste woord
zal verwelken als gras
je mond je mond
zal verwelken als gras
je kijken in mij
zal verwelken als gras
mijn wang mijn wang en de kleine bloem
waarvan je weet zal verwelken als gras
zal verwelken als gras
je mond je purperkleurige mond
zal verwelken als gras
maar de nacht maar de nevel maar de volheid
zal verwelken als gras zal verwelken als gras

'Wird welken wie Gras' [1947], in: Friederike Mayröcker, Tod durch Musen. Poetische Texte, Luchterhand, Darmstadt en Neuwied, 1973 (vertaling Erik de Smedt)

vrijdag 18 oktober 2013

dinsdag 1 oktober 2013

'Kommt, ihr kleinen Krabben!' (G. Büchner)


‘Er was eens een arm kind, ’t had geen vader en geen moeder, die waren allemaal dood, en er was niemand meer op de wereld. Allemaal dood, en het is weggegaan en heeft gezocht, dag en nacht. En omdat er op aarde niemand meer was, wou het naar de hemel gaan, en de maan keek het zo lief aan; en toen het eindelijk bij de maan kwam, was het een stuk rot hout. En toen is het naar de zon gegaan en toen het bij de zon kwam, was het een verwelkte zonnebloem. En toen het bij de sterren kwam, waren het kleine gouden muggen, die waren opgeprikt zoals de negendoder ze op de sleedoorns prikt. En toen het weer naar de aarde wou, was de aarde een omgevallen pispot. En het was helemaal alleen. En toen is het gaan zitten en heeft gehuild, en daar zit het nog en is helemaal alleen.’

‘Antisprookje’ van de grootmoeder uit het toneelstuk Woyzeck (1836) van Georg Büchner (geb. 17-10-1813 – gest. 19-2-1837), vert. Erik de Smedt.

vrijdag 6 september 2013

zaterdag 10 augustus 2013

Monoloog

 
 
kan
ik
als
hond
in
de
wolken
zijn

ik straatloper
geurzoeker
mensenvriend

ik boomgieter
nevelsproeier
ruitenlikker

ik achterblijver
spiegel-
verkeerd
mijn derrière

ik
voyeur
achter
tralies
van
glas
 

woensdag 17 juli 2013

Stella in Vorselaar




















niet Stella Artois maar Frank Stella, zie ook Black Series (1967)

vrijdag 28 juni 2013

Bucolica (A. Polgar)


Emilie koestert sympathie voor het platteland en het landelijke. Ze houdt van de geur van mest en akkers, het rinkelen van koebellen, het liefdes- en overige leven van goedsmakende kippen, lederhosen met patina, het zinnelijke geluid dat het meer maakt wanneer het, opgewonden door de avondwind, tegen de oevers aanstoot (zoals de jonge kerel met zijn schouder die van de pruilende meid), de moorddadige idylle in het konijnenhok, mond- en muilwerk van de boeren en vooral hun zang bij het citerspel, als ze zo stevig neerzitten rond de stevige tafel met hun stevige, gedeeltelijk voortreffelijk gevormde leden en bier drinken of wijn of allebei tegelijk.

Emilie vindt het belangrijk dat het zo toegaat in de gelagkamer, verlangt trouwens dat op het land alles volgens de landelijke norm verloopt, zoals de stedeling droomt. Het beekje moet murmelen, de oogstarbeider moet af en toe op zijn zeis leunend  blijven staan en het zweet van zijn voorhoofd wissen, het plattelandsvolk moet braaf zijn maar ook ruw, godvrezend maar ook pittig (het antwoord van boer Jogl op de vraag waarom hij niet trouwt: ‘Bah, waarom zouwekik? Van de stadsmensen krijgt ge ’t toch voor niks!’ doorpriemde Emilies hart), de boswachter moet een bruine volle baard hebben, de pastoor een meid over wie gemonkeld wordt en de dorpsgek een even naïeve als diepe filosofie. Met tegenzin vergeeft Emilie de herder zijn fluit. Maar in elk geval wil ze ’s avonds in de gelagkamer de klank van de citer.

De citer is een vervelend instrument, waar ook frisse muziek meteen in verwelkt en elke melodie, al was ze helemaal nieuw, in een mum van tijd honderd jaar oud wordt. Het heeft er misschien mee te maken dat de toon zo verschrikkelijk beeft. Maar dat sidderen is nu eenmaal om zo te zeggen de idee van de citer. Hij roept, dat valt niet te ontkennen, dwingend landelijke voorstellingen op. De toon ervan is zo smal als een boerenkamer, eenvoudig als de levenswijze van een werker op het veld, dun en hoog als het tsjirpen van krekels, van oudsher overgeërfd als een voorouderlijke zede, en zo ver weg van de stad en het heden als het spinrok van de Verenigde Textielfabrieken Pollitzer & Co. N.V.

Dus wilde Emilie absoluut niet in de grote, lege kamer gaan zitten maar in de volle, kleine vanwaar de citer klonk. Op rook en stank wijzen haalde niets uit. Pas het bezwaar dat de aanwezigheid van vreemden de inboorlingen zou storen, dat hun muziekbeoefening niet langer vrij, ongedwongen en honderd procent echt zou zijn, deed Emilie van mening veranderen.

Inderdaad, er werd uitstekend citer gespeeld in de aangrenzende kamer. De stemmen van de zangers klonken beslist welluidend. De jodelaar klom niet alleen twee- maar drie- en vierstemmig de hoogte in en viel van de hoogste top met een kopsprong melodieus naar beneden. Emilie vond het muzikale natuurtalent van deze eenvoudige mensen iets wonderlijks, ze zouden in de stad een concert kunnen geven.  Als een lied voorbij was, weerklonk er gestamp, gelach, applaus en geroep en de glazen werden flink tegen elkaar gestoten. Na het ‘hemelsblauwe meer’ met een jazzachtige harmonische verschuiving was Emilie niet langer te houden. Ze liep naar de inboorlingen in de kamer vol rook.

Daar zaten ze nu echt, zoals de natuur het wil dicht bijeen, opgemonterd door bier en tabak, de mannen met hun stevige leden stevig rond de stevige tafel. En op die tafel stond een grammofoon.

Emilie keerde meteen terug en kwam om zo te zeggen verbitterd naast uw dienaar zitten. Ze klaagde dat de techniek nu ook het laatste overblijfsel van echt landelijk bestaan vervalste, dat de cultuur ook het laatste restje natuur om zeep hielp. Waarachtig, zoiets moest een vriend van boerenoorspronkelijkheid tot in zijn ingewanden raken: gecondenseerde citermuziek naar hier geïmporteerd, naar hier in dit dal waar ze ooit toch gedijde als graan en loof! Schnadahüpfl in blik! Jodelaars in conserven! Och, ze zullen nog ozon naar het bos leiden, odeur d’étable in de varkensstal, ze zullen het meer spoelen, het patina voor lederhosen in de fabriek vervaardigen, kunstmatige korenvelden, die beter golven dan de echte, in de landelijke kluiten laten zakken en rubberen vliegen invoeren voor de soep van de zomerse vakantieganger!

De natuur, Emilie heeft gelijk, wordt steeds meer afgebroken. En de zogenaamde natuurlijkheid samen met haar. Waar vind je vandaag de dag nog mensen die zich tonen zoals ze zijn, die de zeden en gebruiken van hun vaderen niet verloochenen? Misschien bij Schwannecke, in het theater. En ook daar slechts na opzwepende premières.

Uit: Alfred Polgar (1873-1955), Kleine Schriften, Band 2: Kreislauf, Rowohlt, Reinbek bei Hamburg, 1983 [oorspronkelijk in: Das Tage-Buch, 10-8-1928], vertaling Erik de Smedt.

dinsdag 4 juni 2013

zaterdag 25 mei 2013

In memoriam Sarah Kirsch (1935-2013)

 

Bomen
Vroeger moeten ze
Bossen gevormd hebben en vogels
Ook libellen genoemd kleine
Op een kip lijkende wezens die
Zingen konden keken naar beneden.

'Bäume', uit: Sarah Kirsch, Katzenleben. Gedichte, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart, 1984 (vert. Erik de Smedt).

maandag 6 mei 2013

Essetee (Ernst Jandl)


de kakmachine

grotendeels steekt de kakmachine in jou
jij wonder mens, verwond mirakel
niet haar ingenieur, niet haar bedenker
maar eigenaar, gebruiker en verwenner

van de mond leidt de lange weg naar binnen
door buizen, balgen en langs windingen
die je node binnenstebuiten laat keren
tenzij om progressieve kanker af te weren

voor neus en tong kostelijk verschillend
o mens, maken de spijzen in jou hun entree
je organisme raakt vervuld van leven
en vermaalt wat uit je anus wordt gedreven

van hier af aan heb jij de kakmachine
lieflijk-loffelijke mens in handen genomen
plees geplaatst om er kreunend op te zitten
riolen aangelegd waarin ratten klitten


Ernst Jandl, ‘die scheißmaschine’, in: idyllen. gedichte, Luchterhand Literaturverlag, Frankfurt am Main, 1989 (vertaling: Erik de Smedt). De  Weense klankdichter en taalacrobaat (1925-2000) zag zijn late gedichten als ‚heruntergekommene Sprache’. Over de betekenis van die aan lager wal geraakte, verwilderde taal schreef Helmut Neundlinger: http://eipcp.net/transversal/0307/neundlinger/en
.
Afbeeldingen: Cloaca (installatie, Wim Delvoye, 2000), Merda d'artista (kunstwerk, Piero Manzoni, 1961), sociale controle (Hilvarenbeek, 2013).

dinsdag 26 maart 2013

Utopie en werkelijkheid (Lissitzky – Kabakov)





                                    
In 1979 verkondigde de Franse filosoof Jean-François Lyotard het einde van de grote verhalen: verlichting, marxisme, vooruitgang door rede en techniek waren mooie illusies gebleken. Wat in de Sovjet-Unie eens de grote droom van een rechtvaardige, klasseloze maatschappij was geweest, was verworden tot een totalitaire staat, die in 1991 uiteenviel en intussen plaats heeft gemaakt voor een wild kapitalisme. Met een intrigerende dubbeltentoonstelling confronteert het Van Abbemuseum (Eindhoven), dat zich al langer profileert als een plek voor kunst met een maatschappelijke betekenis, Lissitzky – Kabakov: Utopie en werkelijkheid. Elk van de acht zalen plaatst werk van de revolutionaire kunstenaar, architect, typograaf en tentoonstellingsontwerper El Lissitzky (1890-1941) naast dat van het bijna even veelzijdige hedendaagse kunstenaarsechtpaar Ilja en Emilia Kabakov (1933 resp. 1945): werk dus dat is gemaakt aan het begin en het einde van het Sovjettijdperk. Ogenschijnlijk gaat het om één volgehouden scherpe tegenstelling, maar de waarheid is genuanceerder − de tegenpolen raken elkaar.

Tussen de eerste etage, met vooral grafiek en boeken, en de tweede etage, waar schilderijen, tekeningen, ruimtelijke ontwerpen en installaties te vinden zijn, staan op de overloop twee menselijke figuren, die vooral de verschillen tussen Lissitzky en Kabakov laten zien. Van de eerste is er een driedimensionale reconstructie van De nieuwe mens, een van de personages uit de Schaumaschinerie voor een mechanisch theater, de ‘Homo Vitruvianus’ van het technische en communistisch revolutionaire tijdperk. Grotendeels abstract, straalt de constructie van metaal, gebogen hout, aluminium en plexiglas  de dynamiek uit van de mens die het verleden achter zich laat en energie op de toeschouwer overbrengt. Het hoofd bevat een rode en zwarte sovjetster, de overheersende diagonale lijn en het rode vierkant drukken het elan van een nieuwe samenleving uit. Daartegenover staat, in pseudoklassiek groenachtig brons, Kabakovs beeld van De man die over de muur klimt. Aan de achterzijde lijkt hij net over de muur te zullen raken, maar aan de voorkant hangt hij ertegen als een vod, uitgeput voor hij zijn doel (de vrijheid?) heeft bereikt.

Van de driedelige catalogus in cassette is deel 1 een tekstboek, dat naast een doorwrocht essay van Boris Groys met de gewild dubbelzinnige titel ‘Het installeren van het communisme’, een gefingeerd interview bevat met Lissitzky door kenner John Milner en een vraaggesprek door de kunstenaar Anton Vidokle met het echtpaar Kabakov. El Lissitzky: ‘Mijn projecten nodigden mensen uit om zich te engageren en hadden een buitengewone kracht die verder reikte dan mijn eigen verbeelding en originaliteit.’ Ilja Kabakov: ‘Maar we leefden in de wereld van onmensen, en het leek alsof het definitief was en voor eeuwig. In dit opzicht werd geen onderscheid gemaakt: dit is goed en dat is fout. Alles dat voortkwam uit de Sovjet-Unie was altijd een leugen, een schande.’

De consequenties van hun hoop en ontgoocheling kun je op de tentoonstelling duidelijk zien. Lissitzky schilderde en tekende vanaf 1919 zijn zogenaamde Prouns, geometrische abstracte voorstellingen met balken, kubussen, vierkanten, hyperbolen en cirkelsegmenten die in diverse richtingen in de ruimte lijken te zweven. Ze hebben niet langer één verdwijnpunt maar evenwijdige vluchtlijnen. Naargelang van het standpunt van de kijker veranderen de verhoudingen in de voorgestelde ruimte. Proun, een letterwoord uit het Russisch voor ‘ontwerp ter bekrachtiging van het nieuwe’, probeerde het suprematistische eindpunt van Malevitsj, die met zijn Zwarte vierkant een einde maakte aan iedere illusionistische werkelijkheidsweergave door te denken.

De Prouns hebben architectonische kwaliteiten: ze lijken onuitvoerbare gebouwen te tonen die zich aan de zwaartekracht hebben onttrokken. Ze bewegen zich als ruimteschepen in de kosmos en belichamen een nieuwe wereld van het zuiver denkbare belichamen. De gedurfdheid en toekomstgerichtheid van de ontwerpen waren Lissitzky’s dienst aan de communistische samenleving in opbouw. In Vitebsk, waar hij koos voor de lijn van zijn mentor Malevitsj en tegen de figuratie van Chagall (die kort daarna naar het Westen vertrok) leerde hij de waarde inzien van collectieve arbeid, waarbij de persoonlijke expressie van de kunstenaar er nauwelijks meer toe doet.

In de jaren 1920 zet Lissitzky de stap van het twee- naar het driedimensionale. Hij maakt een van de eerste installaties in de kunstgeschiedenis: de Prounruimte, waar de toeschouwer zich in een leeg vertrek met abstract geometrische wandconstructies kan bewegen. Omdat in die jaren sommige Sovjetburgers nog vrij gemakkelijk naar het Westen kunnen reizen, heeft hij intense contacten met De Stijl en het Bauhaus en krijgt hij diverse kansen in Duitsland. Hij ontwerpt de Wolkenbügel, een wolkenkrabber op drie grote pijlers maar met bovenop een hoefijzervormig horizontaal kantoorgebouw, omdat de mens zich bij voorkeur horizontaal beweegt. Het zou op een druk kruispunt in Moskou moeten komen en door zijn constructie de schaarse ruimte in de stad kunnen vrijwaren.

Een ander ontwerp is het Spreekgestoelte voor Lenin, een soort diagonale kraan met ingebouwde lift en platformen voor de opeenvolgende sprekers met bovenaan projectiemogelijkheid voor films en slogans. Geen ervan is uitgevoerd, ook niet de heldere ontwerpen voor kleine appartementen met draaibare scheidingswand en opklapbedden waarmee Lissitzky eind jaren 1920 een oplossing wilde bieden voor de schrijnende woningnood in de Sovjetsteden. Als typografisch vormgever en tentoonstellingsontwerper had hij meer succes: de poster waarop een rode wig de contrarevolutionaire witte krachten verslaat, het kinderboek Verhaal over twee vierkanten dat hij, zoals al zijn kunst, als een ‘handleiding tot handelen’ beschouwde. Activering van de kijker beoogde hij ook in het abstracte kabinet in Hannover (1926), waarin de bezoeker zelf de tentoonstellingswanden kon verschuiven en kiezen welke werken hij naast elkaar wilde zien.

De verschillende tentoonstellingszalen in Van Abbe, waar telkens werk van Lissitzky wordt gevolgd door dat van de Kabokovs, vertonen thematisch grote contrasten. ‘De kosmos/Stemmen in de leegte’ bijvoorbeeld confronteert de hoge vlucht van Lissitzky’s Prouns met het letterlijk en figuurlijk marginale schilder- en tekenwerk van Ilja Kabakov. Folkloristisch of in kinderboekstijl getekende randfiguurtjes omlijsten grote witte vlakken. Een beeld voor de tot de marge veroordeelde Sovjetburger, die moet overleven door vooral niet op te vallen? In de als leporello’s gepresenteerde Albums splitst de kunstenaar zich op in een tiental fictieve personages, die schroomvallig een eigen wereld proberen te tekenen. Hun werk wordt vergezeld van teksten in de traditie van Gogol en Dostojevski waarin zijzelf hun vervreemding in de Sovjetmaatschappij verwoorden, en anderen, bijna als KGB-spionnen, hun levenswandel, gedrag en werk commentariëren. Kleine, alledaagse verhalen van mensen voor wie het grote verhaal van hun maatschappijvorm één in stand gehouden leugen vormt.

Tegenover de ‘Helderheid van vormen’ van Lissitzky’s architectonische ontwerpen stellen de Kabakovs ‘Rotzooi’: rommel in een kist of in vitrines, weggeworpen prullaria op ooghoogte aan lijnen gehangen. Een beeld van de wegwerpmaatschappij die in afval ten onder gaat? Of veeleer een verwijzing naar het al te reële en weinig verheffende dat het dagelijks leven uitmaakt, en dat als herinnering aan geleefd bestaan te kostbaar is om weg te gooien? Een van Kabakovs personages heet overigens ‘De man die nooit iets weggooide.’ De installatie In de gemeenschappelijke keuken confronteert de toeschouwer met de alledaagsheid en de vraag naar privébezit in collectieve woonvormen. Kun je de vraag stellen van wie de beschimmelde rasp of de aangebakken koekenpan is in een maatschappij waarin officieel alles aan iedereen toebehoort?

Hier duikt ook het motief van de vlieg op, die in Kabakovs werk vaak terugkeert. Een aanwijzing voor rotzooi, een insect waarvan het voortdurende zoemen herinnert aan het permanente afgeluisterd (kunnen) worden. Maar ook een ingenieus wezen dat in staat is zich vrij te bewegen en te vliegen. Die laatste droom koesterde ook De man die de ruimte in vloog vanuit zijn kamer, een overweldigende installatie van het beschadigde appartement van iemand die zich, de ellendige levensomstandigheden beu, met een zelfgebouwde katapult door het plafond de ruimte heeft ingeschoten. Een groter contrast met de optimistische Prounruimte is niet denkbaar.

In de laatste zalen raakt de tegenstelling tussen Lissitzky’s hoopvolle blik vooruit en Kabakovs ontgoochelde en kritische terugblik behoorlijk in de war. Hier staan Lissitzky’s modellen van figuren voor een mechanische operaopvoering van Majakovski’s Overwinning op de Zon, en een nieuw ‘egalitair’ theatergebouw voor de bevriende regisseur Meyerhold − allemaal ongerealiseerd – naast de schaalmodellen van de Kabakovs voor de grote projecten of totale installaties die ze sinds de jaren 1990 over de hele wereld verwezenlijken. Het zijn deels ironische en satirische, maar deels ook psychosociaal stimulerende projecten voor wat ze zelf ‘niet te realiseren utopieën’ noemen. Zo is er een verticale opera, waar op elke verdieping (naargelang rang en stand?) iets anders te zien is en een huis van dromen, een monumentaal bouwwerk waar op de bovenverdieping onder een koepel mensen op bedden kunnen liggen om hun verbeelding de vrije loop te laten. In het Paleis van projecten hebben diverse (alweer fictieve) personages als op een uitvindersbeurs hun eigen voorstel getekend en in vitrines toegelicht.

Wat Kabakov zegt over de avant-gardekunstenaar die afdaalt in de gemeenschap en door haar wordt verslagen, wordt zichtbaar in de ruimte die in het teken staat van de (anti)propaganda en in een aantal boeken en grafische ontwerpen op de eerste etage. Lissitzky keerde eind jaren twintig met fotomontages en tentoonstellingsconstructies terug naar de figuratieve afbeelding van mensen. Weliswaar niet volgens het sinds 1934 officieel voorgeschreven socialistisch realisme, maar op een formeel nog steeds vernieuwende en bijzonder inventieve wijze. Ze dienden op internationale tentoonstellingen, in boeken en tijdschriften als propaganda voor de prestaties van politiek, pers, economie en industrie in de Sovjet-Unie. Sommige tonen verheerlijkend de grote leider Stalin en massataferelen, een Oekraïense boer die een soldaat van het Rode Leger kust en optimistisch in de toekomst kijkende jonge mensen.

De Kabakovs hebben, terwijl aan de tentoonstellingswanden reële klachten van bewoners van gemeenschapswoningen opgeprikt hangen, hun versie van een propagandistische treinwagon neergezet, zoals die ten tijde van de Russische Revolutie en het begin van de burgeroorlog door het land reden. De installatie draagt de even ironische als melancholische titel Let’s Go Girls. Kale houten banken, zwart geschilderde binnenwanden, Sovjetkoren die door twee luidsprekers schallen en vooraan, op de plaats van het witte propagandadoek, een Cézannistisch schilderij van enkele jonge vrouwen in een idyllisch zonovergoten landschap, badend in het felle licht van schijnwerpers. Een (ver)fraai(d)e herinnering, een droom van vervuld leven, een melancholisch beeld van geluk – als er niet die akelige werkelijkheid rondom was.

Hoeveel heb je over voor een utopie? En is dat er een op micro-, meso- of macrovlak, als die al te scheiden zijn? In Eindhoven prikkelt de tentoonstelling Lissitzky – Kabakov: Utopie en werkelijkheid (nog tot 28 april) niet alleen tot esthetisch genot. Ze roept vragen op die je niet zomaar afschudt.

dinsdag 19 maart 2013

Hugo Claus, jaren later



Dag op dag vijf jaar geleden stapte Hugo Claus (1929-2008) door euthanasie uit het leven. Dat hij de belangrijkste Vlaamse schrijver van de tweede helft van de twintigste eeuw was, lijdt geen twijfel. Wel zegt het iets over de plaats van de literatuur in het begin van de eenentwintigste eeuw dat al bij zijn dood de vraag rees of zijn werk zou overleven. Zou men zijn boeken (en die van Hermans en Mulisch en anderen) blijven lezen?

De Warandebibliotheek in Turnhout bezit vandaag volgens de catalogus iets meer dan honderd titels van Claus. Tien percent is uitgeleend. Niet veel dus. – Ja maar, de mensen hebben al zo veel te lezen (de krant, de boekskes, nieuwe boeken, e-mails, sms'jes, stukken op het internet, ondertitels op televisie enzovoort). – Allez, vooruit dan, met man en macht en Van horen zeggen 
eentje om het niet af te leren ... Een gedicht uit 1968 waarin Hugo Claus zoals Martin Luther vier eeuwen vóór hem 'het volk naar de mond keek'.

Wat zegt u? Er is niet veel veranderd?

Lied van de kleine eigenaar

Wij trekken ons niets an.
Wij trekken onze plan.
Hoe wij ons in 't leven weren
door 't en 't ander t'arrangeren,
dat gaat niemand nie an.

't Goevernement is één misere,
daar is toch niets aan te doen,
't is een spel voor de grote heren,
zij doen het voor de poen.
Als je kon, zou je 't ook nie doen?

Maar 't zal onzen tijd wel duren,
daarvoor gaan we niet verzuren,
voor politiek zijn we te stom,

of 't land recht gaat of krom,
wat brengt het op?– daar gaat het om.

Wat kan het ons verdommen
zolang ze an ons pensioen nie kommen.
Ons eigen huis en de Teevee,

en elk jaar drie weken an de zee,
wat wil je meer, Meneer? Allee, santé!


Hugo Claus, Van horen zeggen. Gedichten, De Bezige Bij, Amsterdam 1970, p. 16.

donderdag 31 januari 2013

'what is poetry?' (Ulrike Draesner)


poetsen stofzuigen snot afvegen geschaafde knie
buik strelen voor het inslapen of als hij pijn doet
een slaapliedje zingen de benen spreiden ontvankelijk
en troostend zijn de was in de trommel stoppen
schaamhaar uit het afvoerputje vissen voor de tiende keer
het wc-deksel dichtklappen alle bekers van het gezin bij elkaar
op de vaatwasser weggezet in de machine plaatsen
vloeken maar onhoorbaar aan de opvoeding van de man
denken elke opvoeding loslaten je bukken de hond
te eten geven mens erger je niet spelen als een idioot
eindelijk in de badkamer de deur van binnen afsluiten na een minuut
hels geschreeuw: snot afvegen boterham met jam smeren
boterham met jam van het tapijt plukken zwempakken
uitwassen zelf de hele dag niet buitengekomen
huissleutels zoeken multitasking bewonderen
en verfoeien maatjetasking verstaan dode vogel
van de vensterbank  scheppen er niet vies van zijn hem
naar de tuin brengen oog op de zonnestorm
vlinders al die troep bij de poel
(moet eindelijk ook ’s schoongemaakt worden) libellen
seconden lang de weerspiegeling
zien:  jezelf
           half in de schemer, klein
           een kind dat zijn witte
           tanden toont, jouw tanden

           het is jouw lichaam
           je vindt geen beter woord
           voor wat je ziet, levend
           en van jou
           verschillend
                       weet het meer over je dan je
           bevalt het zegt: ik hou
           van je dieper dan een bos

het zegt: donker is het binnenste van een mond
en al wat denkt


Vertaling: Erik de Smedt. De Duitse tekst staat op http://www.draesner.de/de/neuetexte/?id=141) en wordt voorgelezen door Ulrike Draesner op http://www.youtube.com/watch?v=jnYEd06QAHY.

zondag 27 januari 2013

De man die uit de hoogte keek






Opening vernieuwd cultuurhuis
De Warande, Turnhout,
tentoonstelling Hans Op de Beeck, Staging Silence (2)

zondag 6 januari 2013

'Alles drängt zur Landschaft' (Ph.O. Runge)















Schuilt een oog in de boom,
Groeit een val uit de grond,
Slaapt er sneeuw bij de uil,
Zweeft een slot door de lucht.

Slaat een zeis, slinkt de sneeuw,
Kolkt de golf, hemelwit,
Blaast een graat, strekt de slaap,
Klimt de toorts, blekt het zwerk,

Druipt skelet groen in zee.

Geschreven bij Thierry De Cordier, SPINACHE (Why not rather paint the Sea?), 1999-2005, te zien op de tentoonstelling Thierry De Cordier, Landschappen, Bozar, tot 20-1-2013 (Erik de Smedt).