donderdag 29 januari 2009

Plus de choses



De menselijke geest anticipeert en herkauwt. Gisteren naar Brussel voor het debat in Passa Porta over 'de zin en onzin van Vlaamse poëzie' n.a.v. de op zijn zachtst gezegd ophefmakende bloemlezing Hotel New Flandres die Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters uit 60 jaar in Vlaanderen geschreven poëzie (1945-2005) voor het Poëziecentrum hebben samengesteld. Er is heel snel en vlijmscherp (voor hetzelfde geld kun je zeggen: bot) op gereageerd. De door de samenstellers gehanteerde combinatie van theorie en ironie is een aantal – nochtans belezen – critici ontgaan. De kwaadwilligheid ging zover dat men uitgerekend deze drie samenstellers ervan beschuldigde een 'nieuw Vlaams getto' te creëren.

Op den duur raakte het grote pluspunt van deze bloemlezing – dat er nooit een gediversifieerder beeld is gebracht van de laatste zes decennia poëzie in Vlaanderen – ondergesneeuwd onder nauwelijks ter zake doende kritiek, waarvan je je afvraagt of ze is ingegeven door naijver, ressentiment of gekwetste ijdelheid. De door de samenstellers in het leven geroepen website bracht dan weer zoveel theoretisch geschut in stelling dat de rijkdom van de bijeengebrachte gedichten in het vergeetboek dreigde te belanden.

Om fileleed te voorkomen, reed ik enkele uren te vroeg naar Brussel. Een gelegenheid om de Cobra-tentoonstelling in het Museum voor Moderne Kunst te gaan bekijken. 60 jaar is Cobra en om eerlijk te zijn: het is eraan te zien. Van de eertijdse uitbarsting van spontane creativiteit, geïnspireerd door de kunst van 'primitieve' volkeren, kinderen en geesteszieken, blijkt niet zóveel stand te houden. Het misschien ooit verfrissende (want anti-academische) naïeve komt nu dikwijls simplistisch over, de felle kleuren zijn in deze selectie nauwelijks terug te vinden, zelfs niet bij Karel Appel, veel daarentegen doet denken aan de verschoten vale, pseudomoderne kleuren en patronen van afgedankte overgordijnen uit de jaren '50. Misschien was Cobra gewoon iets te erg 'kind van zijn tijd' om die tijd te overleven.

Wat me meer aansprak, waren de laatste zalen met het 'werk met zijn tweeën of drieën'. De samenwerking tussen Alechinsky en Dotremont bv. in een sober maar subliem 'Et de linge' (1957) waarin de woorden van Dotremont golven op niet meer herkenbare kronkelende figuren van Alechinsky, in ingehouden tinten van oker en bruin. Net vóór je de tentoonstelling binnenkomt, hangt er een van kleurlijnen krioelend schilderij van Asger Jorn, waarvan me – in gedachten weer bezig met het HNF-debat – vooral de titel trof die Dotremont erboven en eronder schreef: "Il y a plus de choses dans la terre d'un tableau que dans le ciel de la théorie esthétique" (1948).

Gespreksleider Dirk De Geest was een paar uur later zo verstandig het polemische gekissebis opzij te schuiven en Hugo Brems en Dirk van Bastelaere fundamentelere vragen voor te leggen. Naar de ontwikkeling van de Vlaamse poëzie, naar de waarde van Vlaamse poëzie vergeleken met de buitenlandse, naar de verhouding tussen poëzie geschreven in Nederland en die in Vlaanderen, naar wat ze nu zelf het waardevolste vinden.

De ruime keuze corrigeert de aandacht voor paradigmawisselingen die de bloemlezers met een ironisch 1 tot 5-sterrensysteem hebben gehonoreerd. Van dichters die grote vernieuwing brachten en navolgers kregen is vaak een eigenzinnige keuze gemaakt (Herman de Coninck is bv. alleen met poëticale gedichten vertegenwoordigd), de optie om ook 'mindere' (lees: minder succesvolle) goden te bloemlezen relativeert de zgn. vernieuwing. In 1969 staat De lenige liefde van De Coninck naast de veel internationalere 'Proloog tot de eeuwige liefde' van Rob Goswin en de biedermeierretoriek in een gedicht van Wies Moens ('Mijn Diets geloof'). De literatuurhistoricus Brems herkende hierin de vertrouwde 'gelijktijdigheid van het ongelijktijdige' – waar op subjectieve leest geschoeide bloemlezingen (met een keuze die nooit verantwoord wordt) niet aan toe komen.

De criteria op grond waarvan gedichten werden opgenomen, gaven Van Bastelaere, Jans en Peeters grif toe, zijn al even divers. Zelfs weerstand tegen actualisering kon er een zijn, bij de omwille van de inhoud gekozen Kongo-gedichten van Marcel Coole bijvoorbeeld ('Waternegers', 1957). "Innovatie is geen garantie voor kwaliteit" en "Kwaliteit is wat de diversiteit vergroot"
waren behartigenswaardige uitspraken van Van Bastelaere. Anderzijds is zowel Brems als hij niet zo overtuigd van de internationale betekenis van die 60 jaar Vlaamse poëzie. Gevraagd naar het waardevolste gedicht, zei Brems dat hij spontaan eerder naar een Nederlandse dichter als Kopland of de late Kouwenaar zou grijpen. Maar hij bleek dan toch een zwak te hebben voor Jos De Haes met 'Een kus in Ter Kameren' en las uiteindelijk een gedicht voor van Hubert Van Herreweghen, 'Zwart lam' (1992).

Van Bastelaere wees er een paar keer op dat buitenlandse poëzie als de Amerikaanse of de Duitstalige veel meer uitgedifferentieerd is dan de Vlaamse en dat poëtische ontwikkelingen sterk achterop hinken bij die in de beeldende kunst. Het gedicht dat hij voorlas kwam bij veel aanwezigen als een verrassing over – het als een lijst beginnende 'Reeksen 18 Inventaris: Blokken' (1982) van Annie Reniers. Dat door de omvang van de bloemlezing het oorspronkelijk geplande commentaar bij elk gedicht moest vervallen, is iets wat men kan betreuren, en waar misschien op de HNF-website, al was het maar exemplarisch, alsnog ruimte voor kan worden gemaakt.

Ik moest terugdenken aan het spiegelschilderij (1962-1965) van Michelangelo Pistoletto dat ik, na de Cobra-tentoonstelling, een paar verdiepingen lager in het museum nog 's was gaan bekijken. Een grote spiegel aan de linkerkant beschilderd met een groen gordijn. Dat schuift als het ware open en maakt plaats voor wat zich toevallig in de ruimte bevindt: een 'Donderwolk''-vliegconstructie van Panamarenko (1971), een minimalistische TL-buizenreeks zonder titel (1964) van Donald Judd, de bezoeker die zich al dan niet voor de spiegel terugtrekt. De apodictische uitspraak van Th. W. Adorno "Jedes Kunstwerk ist eines anderen Kunstwerks Feind" wordt door Pistoletto's open werk weerlegd. Veel meer inclusie dan exclusie. Net als in dat irreële veel- en weinigsterren Hotel New Flandres, met kamers voor elk budget.

vrijdag 16 januari 2009

Gehoord (1)

"Mààmààmàà, wiedawedààébbe!" (M.P., jaren '50 en '60)

"Ikkem vamelèive de zie noch nie gezien." (S.V.H., 1964)

"Een typisch voorbeeld van de tobbende Germaan." (J.D., 1975)

"Noch immer dieselbe?" (W.H., 1979)

"Aawààgevliézèmbloét!" (N.N., 1981)

"Ich mag schüchterne Leute – die haben Werte zu verteidigen." (J.-P.B., 1981)

"Ge zult van jaar tot jaar uw normen moeten verlagen." (M.W., 1982)

"God houdt meer van jou dan jij van Hem." (A.J., 1992)

"Sie sind ein Leser, wie sich K.B. einen gewünscht hat." (O.W., 2001)

"Maar meneer, zijn wij westerlingen voor indianen geen oosterlingen?" (Y.B., 2009)

zaterdag 10 januari 2009

Quid

– Een eicel?
– De maan.

maandag 5 januari 2009

Sneeuw

, meubelstoffeerder.

vrijdag 2 januari 2009

Open


Kom binnen. De deur is open. Het jaar pas begonnen. Wat het wordt, weet niemand. We hebben geen glazen bol. Maar kom toch binnen. Het is koud buiten. Binnen is het beter dan buiten. Kom erin.

(detail van René Daniëls’ schilderij Het glazen, De Pont, Tilburg)